Kunstgeschiedenis voor de iPad


Lijst van termen en begrippen

(placeholder)

Dorische orde

De zware Dorische vorm wordt beschouwd als de oudste bouwwijze. Hij wordt gekenmerkt door robuustheid, er zijn minder ornamentdelen dan bij de andere Griekse orden. Hij ontstond omstreeks 600 vóór Christus op het vasteland van Griekenland en verspreidde zich naar de westelijke koloniën in Zuid-Italië en Sicilië. In dit systeem werd een tempel opgebouwd vanaf een trapvormige onderbouw, het stylobaat. Daarop stonden zware zuilen, die naar boven toe smaller werden. Op ongeveer een derde van de hoogte kreeg de zuil een lichte zwelling, waardoor het lijkt alsof hij door het gewicht van het dak werd ingedrukt. Die zwelling wordt entasis genoemd. Het oppervlak van de zuilschacht werd bewerkt met verticale gleuven, de cannelures. De zuil had geen voetstuk, wel een rond, onversierd kapiteel, de echinus, met een vierkante dekplaat, de abacus. Op de abacus lag een dwarsbalk, de architraaf, en daarboven was het fries met ruimte voor trigliefen en metopen. De trigliefen zijn als motief misschien een herinnering aan de verticale gleuven die waren aangebracht in de kopse kant van de houten balken bij de voorgangers van de stenen tempels. Onder en boven de trigliefen zat een plaat met guttae, een herinnering aan de houten pinnen waarmee deze platen in de tijd van de houtbouw werden bevestigd. Tussen de trigliefen was ruimte voor stenen of terracotta platen met beschildering of reliëf, de metopen. Het dak werd aan de korte zijden afgesloten door een driehoekig gevelveld, waar ruimte was voor beeldhouwwerk: het tympanon. Rondom het tympanon werd een stevig geprofileerde kroonlijst aangebracht.