Kunstgeschiedenis voor de iPad


Lijst van termen en begrippen

(placeholder)

C-14 methode

Levende stoffen nemen koolstof op dat in het organisme wordt opgeslagen, bijvoorbeeld in botten of plantenresten. Een zeer klein gedeelte van al die koolstof is radioactief. Deze radioactiviteit heeft twee eigenschappen waardoor hij bruikbaar is als hulpmiddel bij het dateren: in de eerste plaats is hij meetbaar; in de tweede plaats neemt de radioactiviteit na het afsterven van het organisme in de loop van de tijd gelijkmatig af. Kortom, hoe minder de nog resterende radioactiviteit is, des te ouder is het voorwerp.

Het afnemen van de radioactiviteit houdt verband met de halfwaardetijd: koolstof verliest in een periode van 5730 jaar de helft van de opgeslagen radioactiviteit; na 11460 jaar resteert nog maar een kwart ervan. Na 60.000 jaar is er nog maar zo weinig  meer van over dat het voor het meten van de ouderdom geen betrouwbaar resultaat meer oplevert.

In principe is de C-14 methode goed bruikbaar, toch heeft hij ook beperkingen. De hoeveelheid radioactieve straling vanuit het heelal is namelijk aan schommelingen onderhevig. Daardoor zijn de metingen niet helemaal betrouwbaar. Er is met succes geprobeerd om de metingen te ijken aan de hand van voorwerpen waarvan de ouderdom op grond van andere aanwijzingen bekend is, bijvoorbeeld hout waarvan de ouderdom aan de hand van jaarringen precies kan worden vastgesteld. Dat is zeer goed gelukt voor de periode van ongeveer 5000 vóór Christus tot nu. Bij voorwerpen die ouder zijn dan 5000 jaar neemt de nauwkeurigheid van de C-14 methode geleidelijk aan af door het ontbreken van betrouwbaar vergelijkingsmateriaal.

Inmiddels heeft de wetenschap enkele vergelijkbare dateringsmethoden ontwikkeld op basis van andere elementen, zoals kalium 40, dat een halfwaardetijd heeft van 1,3 miljard jaar, uranium 235 en 238, en thorium 232. Door de veel langere halfwaardetijd van deze elementen bieden zij de mogelijkheid om de ouderdom van diverse materialen veel verder terug in de tijd meten. Voor de archeologie van de laatste 30.000 jaar zijn deze methoden minder relevant.